woensdag 12 juni 2013

De hamster meneer brengt een bloemetje


"Dag jongen".
"Ach, nee zeg. U bent er weer?".
"Wat is dat nou weer voor rare vraag? Je ziet me toch staan jongen?".
"En nog met hetzelfde humeur ook merk ik".
"En jij probeert nog steeds bijdehand te doen merk ik. Sommige dingen veranderen nooit".
"Klopt. Maar, u zou toch niet meer komen? U had het toch wat gehad met de bibliotheek?".
"Klopt jongen. Jullie zucht naar het eeuwig, vooral intern van mening verschillen over van alles en meer, en daar dan ook weer oeverloos over praten en schrijven, dat had ik wel even gezien. Ik heb een tijdje wat mensen bij de NS gevolgd. Maar ja, dat was toch anders. Minder spannend. Daar was toch wat meer lijn".
"Ha. Lijn. NS".
"Lach niet jongen. Zo leuk is het niet als mensen je bedrijfstak hopelozer vinden dan de NS".

"Fijn. Nou. Leuk dat u er weer bent?".
"Haal dat vraagteken maar weg hoor. Je mag blij zijn met elke klant/gebruiker/bezoeker of lid. Of zijn jullie ondertussen al uit die belangwekkende discussie?".
"Ik dacht het niet. We praten graag lang over dingen he. Dat zei u net zelf".

"Als jullie er uit zijn dan hoor ik het wel denk ik. Maar daar kom ik niet voor".
"Niet? Ach. Jammer zeg. Kan ik iets voor u doen dan?".
"Nee, dat hoeft niet hoor. Ik kan nog steeds alles zelf vinden hoor jongen. Nee, ik kwam je een bedankje brengen. Van mijn neef".
"Goh. Wat aardig. Van uw neef?".
"Ja. van mijn neef. Hij is ambtenaar, iets hoogs bij financiën".
"Och. En die wilde ons bedanken?".
"Ja. Ik sprak hem laatst en we hadden het over zijn werk. Bezuinigingen enzo. En dat dat zo lastig kon zijn. Hij en zijn collega's moeten toch elke keer maar weer nieuwe dingen vinden waar op te bezuinigen valt en daarom moest ik jullie ook komen bedanken".
"Sorry, ik ben u even kwijt".
"Jongen, als je nog even blijft zitten dan ben je nog wel meer kwijt".

"Kijk, mijn neef op het gemeentehuis die heeft ook een computer met een internetverbinding en toen ik hem een tijd terug eens vertelde over jouw rumoerige bedrijfstak is hij die ook eens gaan volgen. En daar kom ik je voor bedanken, namens hem".
(...)
"Haal die vragende blik toch uit je ogen jongen. Toe. Hij keek en las gewoon een tijdje mee en, vertelde hij, toen kreeg hij een wereldidee. Het kan allemaal wel wat minder met die ruimte van jullie hier. En het mooie is. Jullie zeggen het zelf. Gebouwen zijn overbodig, de bibliotheek moet naar buiten, gaan waar de gebruiker is en dat soort zinnen. Dus die ruimte van jou. Die gaat fors kleiner worden hoor".
"Ja, kom. Dat zijn gewoon meningen, blogjes hier en daar, wat zinnen op Twitter enzo".
"Kom nou jongen. Voor zo'n mediawijs volkje als jullie menen te zijn is dat wel een heel benauwde mening hoor. Wat er staat is openbaar, voor iedereen leesbaar en vooral bruikbaar. Dus daar moet je niet over zeuren".
"Zeuren? Zeuren? En de mensen die hier komen dan? Gaat uw neef die ook nog wat vragen?".
"Jongen, als ze de thuiszorg klein kunnen hakken dan kan er bij jou ook best een verdieping af hoor. En, maar dat zei mijn neef weer, hij gaat gewoon in zijn voorstel verwerken dat er binnen de bibliotheekbranche talrijke geluiden zijn die het inleveren van ruimte als een basis voor innovatie zien. En de mening van professionals die weegt echt wat zwaarder dan het geklaag van tante Annie van om de hoek hoor. En bovendien kopieert en plakt de neergeschreven mening van professionals ook nog eens een stuk beter in beleidsvoorstellen".

"Ja hoor eens. Het ziet er hier nu toch hartstikke goed uit. Mensen gebruiken van alles, lopen rond, hebben het naar hun zin maar dat maakt dus niet uit? Het kan wel minder, lekker klein enzo, minder ruimte, minder keus en dat we dan verbaasd doen als het helemaal leegloopt?".
"Dat roepen jullie zelf, of het is de consequentie van wat jullie roepen, dat kan ook".
"Mogen we dan helemaal niet meer van gedachte wisselen enzo? Zijn we te onnadenkend?".
"Jongen. Echt. Ik vind het allemaal best. Wat jullie doen en zeggen moeten jullie helemaal zelf weten. Ik kom gewoon een bloemetje brengen, van mijn neef, omdat jullie hem op zo'n verkoopbaar idee hebben gebracht".

"Nou. Goh. Leuk. Uh. Bedankt? Waar zal ik ze neerzetten?".
"Zet ze hier maar fijn op je deskje jongen. Nu staat er nog een deskje moet je je maar bedenken".

maandag 6 mei 2013

Een olifant, op een bankje


Hij tilde de olifant op met zijn rechterhand, tot boven zijn hoofd en kneep zijn ogen tot spleetjes. Ik weet niet of hij wat kon zien, de zon scheen recht in zijn gezicht.

Ik zag hem op het station. Niet dat hij ergens heen ging. Met ergens heen gaan was hij duidelijk lang geleden al gestopt. Hij zat op een bankje, met die olifant in zijn hand. Verder had hij niets bij zich.

In de trein deed ik muziek in mijn oren. Blok de rest weg, een bijna standaard handeling.
Net na het nu bijna wrange
  
Oh, an' if you wanna shoot the moon  
Make sure that you know why  
Careful fly too soon  
Better let someone else try

gaat het tempo omhoog. En daar, altijd daar en niet eerder gaat m'n hoofd meebewegen. Niet dat het hevig gaat schudden, het is meer een herhaald en doortastend knikken. Op de maat, of in de buurt van een maat.

Tussen twee knikken in zag ik dat de man op het bankje naar me keek. Hij glimlachte breed, begon met zijn hoofd mee te knikken en stak zijn duim omhoog. Of de olifant de muziek in mijn oren ook hoorde kon ik niet zien. Olifanten knikken zelden zichtbaar met het hoofd.

Ik rommelde betrapt in mijn tas. Toen de trein langzaam weg reed keek ik weer naar buiten. De man op het bankje keek me nog steeds aan, maar zijn glimlach was weg. En ik denk eigenlijk ook niet dat hij me nog zag.

De vingers van de man streelden zachtjes over het hoofd van de stoffen olifant die hij naast zich op het bankje had gezet.

En ook al ging de man waarschijnlijk nooit meer ergens heen, toch was ik bang dat hij de olifant zou vergeten mee te nemen.



zaterdag 13 april 2013

Nat asfalt



Of het wel ging, of het echt wel ging en dat ze me niet gezien had en dat ze zo geschrokken was. Die dingen bleef ze maar zeggen. De toevallige voorbijganger bleef herhalen dat het misschien toch goed was om een ambulance te bellen. Omdat je het nu eenmaal nooit kon weten.

Het enige dat ik wilde doen was gewoon nog een tijdje op het natte asfalt blijven zitten terwijl de regen viel. Gewoon een beetje zitten, kijken naar m'n fiets die wat verder lag. En misschien konden ze stoppen met praten?
Gewoon stil zitten op nat asfalt. Meer hoefde er echt niet.

Het was geen groots ongeluk hoor, daar reed het kleine blauwe autootje gelukkig veel te langzaam voor.

Je fietst en stopt niet.
Een auto rijdt en stopt niet.
Motorkap.
Asfalt.

Ergens tussen zin twee en drie zag ik mijn fiets onder me vandaan gereden worden. Misschien klinkt het raar maar dat was een mooi beeld, zo'n fiets die langzaam onder je verdwijnt.
Al zal het waarschijnlijk niet echt langzaam zijn gegaan.

Wat later liepen we naar de bibliotheek. De geschrokken mevrouw, de toevallige voorbijganger, Teun die er ook bij was gekomen en rustig bleef, en ik. Binnen gaf ik de geschrokken mevrouw een kopje thee. De voorbijganger vertelde over een aanrijding die hij had meegemaakt. Met veel dure schade. Het leek mij geen goed verhaal om te vertellen waar de mevrouw bij was. Maar ik zei er niets van. Het was al veel te druk.

Toen ze eindelijk weg waren bedacht ik me even dat ik de mevrouw misschien had moeten vragen of ze lid wilde worden van de bibliotheek, als compensatie of zoiets. Maar dat zal waarschijnlijk toch met de klap op de motorkap te maken hebben gehad.



vrijdag 15 maart 2013

Woestijnblues #3



"Wat doe je?".
"Ik schrijf iets over wat er nu zo bijzonder is aan Daar".
"Nou, dat schiet zo te zien nog niet zo op".
"Nee".

"Zeg dan iets over die angstig steile afdaling in die canyon. Of over die andere, waar we juist moesten klimmen. Over dat gammele laddertje en de touwen daarna. Of over de hond die vijf dagen meeliep. He, zeg anders iets over die wadi bij Dahab waar we naar dat pasje klommen en hoe je bij het naar beneden klauteren zo langs de rotsen schuurde dat het bloedde, en hoe we daarna in die vallei kwamen waar die tientallen honden zaten opgesloten achter dat gammele hek".

"Doe iets over dat muziekwinkeltje waar alleen maar gekopieerde cd's te koop waren en hoe gezellig het was met de eigenaar, hoe die vertelde over dat hij uit Aswan kwam en zijn familie 8 maanden van het jaar niet zag. Of over Abdul, van het hotel, dat die 60 dagen achter elkaar elke dag werkte om daarna 20 dagen naar zijn vrouw bij Alexandrië te kunnen gaan. Of over hoe de bedouinen 's avonds kookten op vuur dat ze maakten met takjes die we de hele dag bij elkaar zochten. En dat ze vuurvaste handen moeten hebben. Of over de kameel die struikelde waardoor bijna alle eieren stuk gingen".

"Gut Ton, zeg dan wat over die bibliotheek in het hotel. Dat ze zelfs stickers op de ruggetjes hadden. Jullie zijn toch zo gek op stickertjes?".

"Maar daar gaat het niet om".
"Wat niet?".
"Wat er nu zo bijzonder is aan Daar. Daar zeggen die voorvallen niks over. Dat zijn dingetjes. Avontuurtjes misschien. Maar ze maken toch niet duidelijk wat er zo bijzonder is aan Daar".
"Nee, dat is zo".

"Ton, kom op. Tik wat, ik word zenuwachtig van dat lege scherm. Of plak gewoon een paar foto's in. Dat kan toch ook?".
"Maar er moeten toch woorden voor te vinden zijn?". 

"Weet je, doe anders iemand citeren. Dat kan toch ook? Staan er niet ergens een paar mooie zinnen in dat boek van Lawrence?".
"Vast. Maar het is toch raar dat ik na al die keren dat ik daar was niet zelf wat kan verzinnen".
"Sorry hoor, het was natuurlijk best stoer dat je die ene middag die kameel aan een touw achter je aan over die bergpaadjes liet lopen maar het was wel een erg brave kameel. Dat maakt je nog niet bepaald tot een Lawrence. Toch?".

"[...] when we had ridden out over de rolling plans of North Syria to the ruins of the Roman period which the Arabs believed was made by a prince of the border as a desert-palace for his queeen. The clay of its building was said to have been kneaded for greater richness, not with water, but with te precious essential oils of flowers. My guides, sniffing the air like dogs, led me from crumbling room to room, saying, 'This is jessamine, this violet, this rose'.
But at last Dahoum drew me: 'Come and smell the very sweetest scent of all', and we went into the main lodging, to the gaping window sockets of its eastern face, and there we drank with open mouths of the effortless, empty, eddyless wind of the desert, throbbing past. That slow breath had been born somewhere beyond the distant Euphrates and had dragged its way across many days and nights of dead grass, to its first obstacle, the man-made walls of our broken palace.
[...] 'This,' they told me, 'is the best; it has no taste."

T.E. Lawrence - Seven Pillars of Wisdom; A Triumph", 1926


zondag 3 maart 2013

"Veel plezier"

"Hmm".
"Wat?".
"Nou, hoezo, veel plezier, zo leuk is het nou ook weer niet!".

Ik keek opgelaten naar de telefoon. Maar dat zag verder niemand. Vrijdag is een stille dag.

Het was het laatste dat ik hem heb horen zeggen. Nu denk ik dat we toen geweten moeten hebben dat het bijna afgelopen was. Maar ik kan me niet herinneren dat ik dat toen ook al wist.

Zonder dat ik het zelf merkte ben ik het zinnetje gaan gebruiken. Aan het eind van een gesprek, als het passend is. Maar soms ook als het volmaakt misplaatst is en de woorden alleen maar plomp op de grond vallen.

"Maar we kunnen ook niet gaan. Zo belangrijk is het niet. Het is maar een toneelstuk".
"Nee, gaan jullie nou maar. Het is wel goed, ga nou maar".

Nou ja, zoiets zal het geweest zijn. Eigenlijk weet ik alleen zeker dat hij "Veel plezier" zei toen ik omkeek en hem voor het laatst zag. De deur van de slaapkamer liet ik op een kier staan.

Een paar jaar terug wurmde het zinnetje zich ongemerkt tussen mijn woorden. Terwijl ik verder nauwelijks op hem lijk.

Misschien staat er ergens iets nog op een kier.